(Introductie van Jaap Ferwerda) Hier een nieuwe vertaling van Under Milkwood van Dylan Thomas, gedaan door Erik Bindervoet (Onder het Melkbos). Toch geef ik de voorkeur aan de oude vertaling van Hugo Claus. Daarom hier een stukje Onder het Melkwoud.

Onder het Melkwoud

Eerste stem
De ochtend is één groot gezang. De Eerwaarde Eli Jenkins,
op zijn morgenbezoeken, blijft staan voor het Nuts-
gebouw om te luisteren naar Polly Garter, terwijl zij de
vloeren schrobt voor het bal van de Vereniging van
Huisvrouwen vanavond.

Polly Garter (zingt)
Ik hield van een man en zijn naam was Tom
Hij was sterk als een ram en vechten dat hij kon!
Ik hield van een man en zijn naam was Dick
Hij was breed als een ton en een meter dik
En ik hield van een man en zijn naam was Harry
Zes voet hoog en hij rook naar sherry
Maar van wie ‘k ’t meeste hield, of ik waakte of sliep
Was kleine Willy Wee en hij ligt zes voet diep.

O, Tom, Dick en Harry, zij waren goed en fijn
En zo mooi als toen zal het wel nooit meer zijn,
Maar kleine Willy Wee die nam mij op zijn knie.
O, de man voor mij is kleine Willy Wee.

Nu komen er mannen van de dorpen in het rond
Zij rennen achter mij en rollen mij op de grond
Maar als ik ook maar één van hen bemin
Johnnie van de Heuvel of zeilende Jim
Als zij doen wat zij willen, dan lig ik te dromen
Van Tom, Dick en Harry, die lang waren als bomen
Maar ’t meest van al droom ik van mijn verre lief
Van kleine Willy Weasel, die zonk en die stierf.

O, Tom, Dick en Harry, zij waren goed en fijn
En zo mooi als toen kan het niet meer zijn,
Maar kleine Willy Wee die nam mij op zijn knie
O, de man voor mij is kleine Willy Wee.

E. H. Jenkins
God zij geloofd! Wij zijn een muzikaal volk.

Tweede stem
En de Eerwaarde Jenkins haast zich door de stad om de
zieken te bezoeken, met pudding en gedichten.

Eerste stem
De stad is vol als een parkietenei.


Lieve lezers, in deze dodelijke tijden een vrolijk gedicht over de dood.

Zieketroost – JC van Schagen

Als ik nu doodga,
Zal de grote zee mij nemen
En ik zal zijn in de eindeloze golven.
Ik zal zijn in de branding aan verre stranden
en in de witte feesten van de maannacht,
In het kolken van het water in het paalhoofd.
Altijd hetzelfde. Altijd.

Als ik nu doodga,
Zal de grote wind mij nemen
En ik zal zijn in zijn eeuwig zwerven.
Ik zal zijn in de drift der wolken
en in de diepe ontroeringen van de herfst,
In het sprookje, dat waarschuwt aan uw oor,
des nachts, op een eenzame weg.
Altijd hetzelfde. Altijd.

Als ik nu doodga,
Zal de grote aarde mij nemen
En ik zal zijn in haar warme adem.
Ik zal zijn in het gras langs de stille wegen
en in de nevel ’s avonds over de landen,
In de verre schreeuw van een
hoog trekkende vogel, een Septembermiddag.
Altijd hetzelfde. Altijd.

J.C. van Schagen (1891-1985) is een omstreden figuur. Zijn opvatting over het dichten als ‘spelen’ en zijn opvatting dat hij niet kon of moest schiften in zijn werk onderstreepte hij in lijn met zijn pantheïstische en taoïstische levensbeschouwing met de opmerking: “God schift niet, integendeel, Zijner is de volstrekte hutspot” Zo’n opmerking had ik zelf willen bedenken.
Velen vinden zijn werk daarom ongelijkmatig en oppervlakkig. Anderen letten vooral op de pareltjes die in het werk verborgen zijn. Weer anderen onderschrijven zijn opvattingen en nemen hem zoals hij is, in overeenstemming met zijn eigen bedoeling. Zelf sluit ik mij aan bij de laatsten en vermaak me zoals Van Schagen.
Het gedicht van deze week is uit zijn bundel ‘Narrenwijsheid’ (1925) vele malen (gewijzigd) herdrukt.


Lieve lezers,
Deze dichter is niet zo bekend, maar ik vond dit een aardig gedicht, zonder corona, want dat ben ik een beetje zat. Houdoe, Jaap

Mindfulness

de wereldleraren
ze spreken tot ons
met dwingende stem

wees jezelf
leef in het heden

maar hoe ik ook mijn best doe
ik blijf afgeleid
steeds meander ik uit
nu eens raak ik verstrikt in de octopusarmen van
een onuitroeibaar vroeger
dan weer dobber ik de woeste zee op van
een oeverloze toekomst

het nu: een ster in het glas
die naar alle kanten voortbreekt
het ik: een pelgrimage naar vele steden
waar niemand ooit arriveert

laat anderen zoeken
naar de smetteloze kern
ik begin er niet meer aan
en verspreid mij in vrede

Jabik Veenbaas (1959)
uit: Soms kijkt de aarde me aan (2020)


Laat ons een gedicht lezen dat op de herdenking aansluit. Hou je taai en blijf gezond! Jaap

Het carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, –
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokkentoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: – een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941
Ida Gerhardt (1905-1997)