‘Terugblik’, gedicht van Toon Hermans

ze hadden het niet al te breed
geen wit gesteven boorden
ze waren vissers – alle twaalf
een volk van weinig woorden

ze hadden nog geen beeldbuis
geen flats, geen bungalowtjes
ze stoeiden aan het blauwe meer
met wank’le houten bootjes

geen DC8, geen maanraket
geen auto en geen koets
ze liepen op het witte strand
en meestal barrevoets

zo leefden zij, ze hadden niets
geen bad, geen telefoon, geen fiets
maar in hun midden zat een man
daar hielden al die vissers van

Hij zocht het niet in telefonen
computers of in elektronen
Hij zocht het zonder valse schijn
in aardig voor elkaar te zijn

Hij had het over ‘ander leven’
over vergeten en vergeven
over elkaar de hand toe steken
en over samen brood te breken

Hij zei gewoon: Gij zult niet doden
en daarmee hield hij ’t voor gezien
Hij had geen boeken vol geboden
Hij had er in totaal slechts tien

maar toen de rijken en geleerden
Hem hoorden, toen begon ’t venijn
het was bedrog, wat hij beweerde
het leven mócht niet simpel zijn

ze hebben Hem toen vastgegrepen
ze hebben Hem de mond gesnoerd
het zware kruishout laten slepen
en Hem naar Golgotha gevoerd

en het is nooit meer goed gekomen
want sinds men Hem heeft opgepakt
heeft men de liefde ons ontnomen
waarover Hij zo vurig sprak
maar altijd blijft het heimwee hangen
naar die eenvoudige mensenzoon
en altijd speur je nog ’t verlangen
naar Hem, die zelfs na al ’t gehoon

vanuit Zijn laatste kracht nog fluistert
Heer, vergeef hun wat ze doen –
altijd is er nog dat heimwee
naar die ene man van toen.

Toon Hermans

uit de bundel ‘Ik heb je lief’